1. Lisa heeft 24 knikkers. Ze krijgt er 18 bij. Hoeveel knikkers heeft ze nu? 42 knikkers
2. In een doos zitten 6 rijen met 5 eieren. Hoeveel eieren zijn dat samen? 30 eieren
3. Jesse heeft € 20. Hij koopt een boek van € 12. Hoeveel geld houdt hij over? € 8
4. De juf deelt 40 stiften eerlijk uit aan 8 kinderen. Hoeveel stiften krijgt elk kind? 5 stiften
5. Op het plein spelen 35 kinderen. Er gaan er 17 naar binnen. Hoeveel kinderen blijven buiten? 18 kinderen
6. Een zak snoep kost € 3. Emma koopt er 4. Hoeveel betaalt ze? € 12
7. In de klas staan 7 tafelgroepen van 4 kinderen. Hoeveel kinderen zitten er in de klas? 28 kinderen
8. Sam heeft 15 stickers. Hij plakt er 9 in zijn boek. Hoeveel stickers heeft hij nog los? 6 stickers
9. In een pak zitten 8 koekjes. Hoeveel koekjes zitten er in 5 pakken? 40 koekjes
10. Tom telt 56 auto’s. Daarvan zijn er 23 rood. Hoeveel auto’s zijn niet rood? 33 auto’s
11. De trein heeft 9 wagons met elk 10 stoelen. Hoeveel stoelen heeft de trein? 90 stoelen
12. Anna heeft 3 zakjes met elk 7 knikkers. Ze geeft er 5 weg. Hoeveel knikkers houdt ze over? 16 knikkers