1. Op het schoolplein liggen 108 tegels. De helft daarvan is kapot. Hoeveel tegels zijn nog heel? 54 tegels
2. Sam heeft € 14 gespaard en spaart € 5 per week. Na hoeveel weken kan Sam een step van € 84 kopen? 14 weken
3. De school gaat op schoolreis met 188 kinderen. In elke bus passen 55 kinderen. Hoeveel bussen zijn er nodig? 4 bussen
4. Een film duurt 95 minuten en begint om 18.20 uur. Hoe laat is de film afgelopen? 19.55 uur
5. In de bibliotheek staan 15 kasten met elk 95 boeken. Hoeveel boeken zijn dat samen? 1425 boeken
6. Een pak koffie weegt 150 gram. Hoeveel kilogram wegen 12 pakken samen? 1,8 kilogram
7. 4 vrienden delen de rekening van € 40. Hoeveel betaalt ieder van hen? € 10
8. Vader tankt 54 liter benzine. Een liter kost € 1,66. Hoeveel betaalt hij? € 89,64
9. Een broodje kost € 2,21. Meneer De Vries koopt er 7 en betaalt met € 20. Hoeveel krijgt hij terug? € 4,53
10. Een fietsenmaker repareert 12 fietsen per dag en werkt 5 dagen per week. Hoeveel fietsen repareert hij in 6 weken? 360 fietsen
11. Een rechthoekige tuin is 15 meter lang en 13 meter breed. Hoeveel meter hek is er nodig om de tuin heen? 56 meter
12. Een kilo appels kost € 3,59. Hoeveel kosten 2 kilo appels? € 7,18